Jaar 2016-2017 Cyclus A
Beheer

20e zondag door het jaar A - 2017

Dulden wij een vreemdeling in ons midden? Of zijn we veeleer ongerust dat we onze zekerheid, onze veiligheid, ons comfort, onze cultuur, onszelf zullen verliezen?

Zusters en broeders, het is een vraag die we ons vandaag meer dan ooit moeten stellen: hoe we tegenover vreemdelingen staan. Het is een oude vraag, dat zien we in het evangelie. En we zijn niet de enigen die niet direct een menslievend antwoord weten te geven, want zelfs Jezus heeft er problemen mee. Dat merken we zeer goed in zijn optreden tegenover de Kananese vrouw. Ze is niet joods, dus is ze heidens, en hoewel ze Jezus ‘Heer’, en ‘Zoon van David’ noemt – en dat is de hoogste eer die Jezus kan krijgen - , negeert Hij haar. Wanneer ze blijft aandringen, wijst Hij haar uitdrukkelijk af, want Hij is alleen maar voor het volk van Israël gekomen. En Hij vernedert haar nog uitdrukkelijker wanneer Hij zegt dat het niet goed is het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven. Het brood, dat is zijn aanwezigheid en zijn Blijde Boodschap. De kinderen zijn het joodse volk, en de honden zijn de heidenen. Jezus manifesteert zich hier dus echt als een volbloed jood, met alle negatieve kenmerken die daaraan verbonden zijn.

En toch geeft de vrouw het niet op, want ondanks de afwijzing en de beledigingen blijft zij geloven dat Jezus de kracht heeft om haar dochter te redden. Jezus is zo aangegrepen door haar geloof dat Hij ingaat op haar smeekbede. Haar dochter is dus genezen.

Het sterke geloof van die heidense vrouw doet denken aan het geloof van de Romeinse officier die Jezus om hulp vraagt voor zijn doodzieke knecht. Hij doet dat met zoveel aandrang dat Jezus zegt: ‘Zelfs in Israël heb Ik zo’n groot geloof niet gevonden.’ En de knecht van de heidense officier wordt genezen. Zoals zoveel andere zieken en gekwetsten, tegen wie Jezus zegt: ‘Uw geloof heeft u gered.’

Kan Hij dat ook tegen ons zeggen: dat ons geloof ons gered heeft? Misschien branden we meer kaarsjes dan ooit tevoren, maar is ons geloof ook meer dan het vlammetje van een kaarsje? En meer dan een bedevaart en een noveen? Is het echt zo sterk als dat van die Kananese vrouw? Zij blijft Jezus volgen en geeft haar smeekbede niet op. Spiegelen wij ons aan haar? Geven wij het ook niet op, ook als God, als Jezus niet direct naar ons lijkt te luisteren?

En spiegelen we ons ook aan Jezus in onze omgang met onbekenden en met vreemdelingen? Dat is niet altijd een gemakkelijke, dat zien we zelfs aan Jezus, maar Hij maakt een enorme ommekeer en gaat de weg van liefde en vrede voor alle mensen, dus niet alleen voor het eigen volk en voor de directe naasten. Doen wij dat ook?

Zusters en broeders, als christen kunnen en mogen we niet wereldvreemd zijn, niet in onszelf opgesloten, niet tegen alles en iedereen die vreemd is. Als christen moeten we open staan voor onze medemensen, voor al onze medemensen, hoe vreemd en hoe anders ze ook mogen zijn. Want ook vreemdelingen horen bij het uitverkoren volk, zegt Jesaja in de eerste lezing. Net als wij zijn ze door God onze Heer geschapen, en zijn ze zijn geliefde kinderen. Laten we dus altijd proberen zo te leven: als zijn geliefde kinderen. Amen.

Download dit document 

Intekenen voor de wekelijkse overwegingen

Wil je ook graag wekelijks mijn overwegingen ontvangen? Wil je je uitschrijven van de lijst? Vul dan hieronder je gegevens in:
captcha