- Eerste lezing: Ezechiël 33, 7-9
- Evangelie: Mattheus 18, 15-20
‘Wanneer twee van u hier op aarde eensgezind om iets vragen – het mag zijn wat het wil – zal mijn Vader in de hemel het voor hen laten gebeuren.’
Zusters en broeders, dat zijn heel mooie woorden van Jezus, maar gaan we de werking ervan ooit ervaren? Want eensgezindheid: bestaat dat echt? Er ontstaan immers zo makkelijk meningsverschillen, discussies, ruzies, geroddel en nog zoveel meer van die uitwassen die eensgezindheid in de weg staan.
Dat zien we al in de eerste lezing. Daar wordt de profeet Ezechiël door God aangesteld als wachter over het volk. Hij moet zien wat er gebeurt en waarschuwen wanneer iemand in de fout gaat. Hij kan niet doen alsof hij niets gezien heeft. En als hij niet doet wat God hem heeft opgedragen, zal hij gestraft worden. Doet hij het wel, en wil de boosdoener niet luisteren, dan wordt die gestraft. En daarmee weten we dat eensgezindheid in de tijd van Ezechiël zeker niet vanzelfsprekend was.
Dat was het ook niet in de tijd van Jezus, en dat is het ook niet vandaag. ‘Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen de weg’, zegt Jezus. Je doet dat niet om hem of haar te veroordelen, maar om te helpen. Dat klinkt heel mooi, maar vaak komt het niet zover, want wij zijn vaak niet geneigd om iemand op zijn of haar fouten te wijzen. En we hebben daar allerlei redenen voor. ‘Want wat gaan de mensen zeggen? Wie ben ik om mij met andermans zaken te moeien? Ik ben helemaal niet uit op ruzie en op betweterij.’
We weten dus allemaal dat het echt niet makkelijk is om iemand op zijn of haar fouten te wijzen. Want wie is die iemand? Zolang dat een kind is, is er geen probleem. Dan is een tussenkomst heel dikwijls een vorm van bescherming tegen gevaar, ongevallen, pijn en nog zoveel meer miserie die het kind kan treffen. Maar het wordt helemaal anders wanneer het om een volwassene gaat, want dan lijkt bezorgdheid heel makkelijk op bemoeizucht, op veroordeling, zelfs op eigen groot gelijk.
En dat is natuurlijk niet de bedoeling. Wat wel de bedoeling is, is dat we bezorgd zijn om elkaar in ons gezin, in onze relaties, in onze buurt, op het werk, in onze geloofsgemeenschap. Soms zien we iemand keuzes maken waarvan we weten dat ze schade zullen aanbrengen. Dan moeten onze liefde en onze bezorgdheid doorwegen. Niet om te veroordelen, maar om te helpen. Niet achter de rug. Niet om hem of haar te vernederen, maar op de goede weg te helpen.
Maar we mogen zeker niet vergeten dat wijzelf degene kunnen zijn die moet geholpen worden. Dus is het goed wat we ons de vraag stellen: Kan ik het verdragen dat iemand me op mijn fouten wijst? Wellicht zullen we moeten antwoorden: ‘Natuurlijk kan ik dat niet verdragen, want ik maak geen fouten. Nee, het is de man of de vrouw die het beter wil weten dan ik die in de fout gaat.’ Maar de waarheid is dat we misschien te trots, te koppig, te eigenzinnig zijn om naar bezorgde mensen te luisteren en fouten toe te geven.
Zusters en broeders, het is vandaag zoals het elke week is: we moeten de lezingen, en zeker het evangelie op onszelf toepassen. Ons dus afvragen: Waar sta ik in het verhaal? Ben ik bezorgd om mijn medemensen, en aanvaard ik dat die ook bezorgd zijn om mij? Sta ik open voor wijze raad of wil ik alleen anderen terechtwijzen? Gelukkig geeft Jezus ons, zoals zo dikwijls, een bemoedigend schouderklopje. Hij zegt: ‘Waar er twee of drie mensen in mijn Naam samen zijn, ben Ik in hun midden.’ We zijn in deze viering samen in zijn Naam, dus is Hij midden onder ons aanwezig met al zijn liefde en al zijn vrede. En aangezien we christenen zijn, is Hij ook onder ons aanwezig wanneer we niet samen in de kerk zijn. En dat is dikwijls zo: in ons gezin, op ons werk, in de parochie, op school, in een winkel, en ga nog maar door, want de meesten onder ons zijn veel meer samen dan alleen. Laten we ons dus altijd inspannen om zorg te hebben voor elkaar, en laten we ook gelukkig zijn dat anderen zorg hebben voor ons. Amen.
