- Eerste lezing: Ezechiël 18, 25-28
- Evangelie: Mattheus 21, 28-32
- Zusters en broeders,
Zoals zo dikwijls vertelt Jezus een parabel waarbij we ons moeten afvragen welke rol wij spelen in het verhaal. Want ook tegen ons zegt God: ‘Jongen, meisje, man, vrouw, ga vandaag in mijn wijngaard werken.’ En met die wijngaard wordt niet een akker bedoeld vol wijnstokken, maar het koninkrijk van God. De hogepriesters en de oudsten van het volk zullen daar volgens Jezus niet binnengaan omdat ze niet tot inkeer komen. En wij? Gaan wij wel binnen in dat koninkrijk? Dat rijk van liefde, vrede en gerechtigheid?
Want hoe reageren wij op die opdracht van God? Doen wij hetzelfde als die eerste zoon, en zeggen we ‘Ja, vader, dat zal ik doen’, maar doen we het helemaal niet? Want dat is wellicht de waarheid: we zetten ons vaak niet, of maar met mondjesmaat in voor Gods koninkrijk. We zeggen dat we tijd zullen maken voor eenzame mensen, maar het komt er niet van. We zeggen dat we zullen vergeven, maar we doen het niet. We zeggen dat we rechtvaardigheid belangrijk vinden, maar kijken weg wanneer iemand onrecht wordt aangedaan. We zeggen dat we Jezus willen volgen, maar gaan vaak onze eigen weg.
En daarmee laten we zien dat ons geloof meer uit woorden dan uit daden bestaat. Want het is heel gemakkelijk om naar de mis te komen, om samen ons geloof te belijden, om kaarsjes te branden, zelfs om op bedevaart te gaan. Maar de echte vraag is: Wat doen wij met ons geloof? Wordt ons geloof zichtbaar in ons dagelijks leven?
Misschien zou het dus goed zijn als we ons in de tweede zoon zouden herkennen. Dat we dus ons ‘nee’ in ‘ja’ zouden omzetten. ‘Nee’ zeggen tegen God om in zijn wijngaard van liefde en vrede te werken, omdat we onze eigen weg willen gaan, of omdat we geen zin hebben om ons in te zetten voor onze medemensen, maar tot inkeer komen en toch ‘ja’ doen, omdat we proberen goede christenen te zijn, of omdat we weten dat werken in Gods wijngaard van liefde en vrede leidt naar wegen van geluk.
Zijn we dan in fout omdat we eerst nee hebben gezegd? Nee, dat zijn we niet, want bij God is bekering altijd mogelijk. Hij sluit niemand op in de fouten van zijn of haar verleden, maar geeft ons altijd de mogelijkheid om een andere weg te gaan. Een weg waar we op zijn liefde en hulp kunnen rekenen.
En dat is goed, want ieder van ons heeft ooit dingen gezegd of gedaan waar we later spijt van hebben. En ieder van ons heeft dingen niet gedaan die hij of zij beter wel had gedaan. Misschien omdat we dachten: ‘Nee, ik doe dat niet omdat het me niet ligt. Ik ben nu eenmaal zo, en daar kan ik niets aan veranderen.’ Maar de tweede zoon laat ons zien dat we wel kunnen veranderen, omdat we altijd opnieuw kunnen beginnen. Niet eenmalig, maar elke dag.
Zusters en broeders, christen zijn is geen geloof van woorden, maar van daden. Het is veel meer dan een geloofsbelijdenis. In zijn brief aan de christengemeenschap van Jeruzalem zegt de apostel Jacobus: ‘Geloof zonder werken is dood.’ Wie beweert te geloven, maar geen daden van liefde en zorg voor anderen verricht, heeft een dood geloof, zegt hij. Christen zijn is doen wat Jezus deed, dus woorden van liefde en vrede omzetten in daden van liefde en vrede, van nederigheid en dienstbaarheid, van gerechtigheid en vergeving. Dat is de wijngaard waarin God ons oproept te werken. En die wijngaard ligt niet veraf, maar vaak heel dichtbij: in ons gezin, op ons werk, in onze parochie, in de gemeenschap waarin we leven, in onze buurt. Kort gezegd: overal waar wij komen vraagt God ons om liefde te brengen, want overal zijn er mensen in nood, in eenzaamheid, in onzekerheid, in armoede, in ziekte. ‘Ga vandaag werken in mijn wijngaard’, zegt God. Dus niet morgen, overmorgen of volgende maand, maar vandaag. Dus altijd, want God zegt dat elke dag tegen ons. Laten we proberen ja te zeggen en ook ja te doen. Amen.
