- Eerste lezing: Exodus 19, 2 - 6a
- Evangelie: Mattheus 9, 36 - 10, 8
‘Toen Jezus de mensenmenigte zag, voelde Hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder. Hij zei tot zijn leerlingen: De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders.’
Zusters en broeders, ik denk wat we die woorden over die grote oogst en de weinig arbeiders allemaal kennen, maar over welke mensenmenigte heeft Jezus het?
Wellicht heeft Hij het over de vele mensen die Hij, tot ongenoegen van veel schriftgeleerden en farizeeën, met zijn boodschap van liefde en vrede kan bereiken. Mensen van alle slag, dus ook armen, zieken, melaatsen, blinden, tollenaars, zondaars. Allemaal mensen voor wie de machthebbers weinig of geen aandacht hebben. Mensen die misschien zelfs uitgestoten worden door schriftgeleerden en farizeeën. Precies voor die mensen heeft Jezus dus wél aandacht. Ook naar hen zendt hij dus zijn twaalf leerlingen uit met de boodschap: ‘Het Koninkrijk van de hemel is nabij.’ En wat moeten ze doen? Zieken genezen, doden opwekken, melaatsen reinigen en duivels uitdrijven. Moeten ze dus mirakels verrichten? Nee, dat moet niet letterlijk begrepen worden. De leerlingen kunnen geen doden opwekken. Wat ze wel kunnen, is mensen die alles opgegeven hebben, die dus niet meer echt leven, weer levenslust geven, zin om iets te doen, om niet meer passief en lusteloos door het leven te gaan. Dat zijn ook de duivels die ze moeten uitdrijven: duivels van passiviteit en gelatenheid. En ook de melaatsheid van de dingen moeten ze genezen: de melaatsheid van haat, van wantrouwen, van onverschilligheid. Het Koninkrijk van de hemel kan immers alleen nabij zijn als mensen er iets voor doen.
Dat is de zending die Jezus opdraagt aan zijn de leerlingen, en Hij wijst er hen uitdrukkelijk op dat ze daar niets voor mogen opeisen. ‘Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven’, zegt Hij. Zij hebben Jezus niet moeten betalen voor zijn boodschap van liefde en vrede, dus moeten ook zij niets terugeisen voor hun zending. Geen betaling, geen macht. Niets, alleen maar een Blijde Boodschap verkondigen, aandacht hebben voor hun medemensen, en helpen waar dat nodig is.
Zoals altijd horen we in het evangelie dus een verhaal dat ons direct treft. Is de oogst vandaag ook groot, en zijn er nu ook weinig arbeiders? Nee, de oogst is niet groot, integendeel, hij wordt elk dag kleiner. Het aantal gedoopten en gevormden daalt zienderogen, en de tijd dat alle kinderen hun eerste communie deden, is allang voorbij. Dus zijn er niet zoveel arbeiders meer nodig, en die zijn er trouwens ook niet. Maar we moeten er wel rekening mee houden dat die arbeiders niet alleen de paus, de bisschoppen, de priesters, de diakens en alle andere geestelijken zijn. Nee, die arbeiders zijn alle gelovigen, dus ook wij. Dus moeten wij ons afvragen: zijn wij even bewogen als Jezus? Hebben ook wij aandacht voor onze medemensen, wie of wat ze ook zijn? En heeft onze Kerk die aandacht?
Of horen wij misschien bij de mensen die er, om het met de woorden van Jezus te zeggen, ‘uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder.’ Zijn we misschien moedeloos? Hebben we geen hoop meer, omdat onze kerk leegloopt, ter plaatse blijft trappelen, en meer aan zichzelf dan aan God, aan Jezus lijkt te denken.
Zusters en broeders, wie of wat we ook zijn, en hoe we ons ook voelen, Jezus roept ons op om arbeiders te zijn om de oogst van het Koninkrijk van de hemel binnen te halen. Niet door grote woorden en daden, maar door eenvoudige tekens: een zieke bezoeken, een bedroefde troosten, luisteren naar de woorden, het verhaal van onze medemensen. Van al onze medemensen. Zoals Jezus dat deed. ‘Gij zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn als ge aan mijn Woord gehoorzaamt en mijn verbond onderhoudt’, zegt God tegen Mozes als hij in de Sinaïwoestijn de berg is opgegaan. De werkelijkheid leert ons dat de Israëlieten helemaal niet gehoorzamen aan Gods Woord, en dat ze verre van een heilig volk zijn, integendeel, ze zijn een moordend volk. Dat lieten ze trouwens al zien in de tijd van Jezus, want ook Hem hebben ze vermoord. Laten wij deze weg niet gaan, maar wel de weg van Jezus. Laten we dus proberen wél een heilig volk te zijn, en dat kunnen we door Jezus’ weg van liefde, vrede en vreugde te gaan. Hij roept ons op om arbeiders te zijn in het Koninkrijk van de hemel. Laten we dat dus doen. Amen.
