- Eerste lezing: Jesaja 56, 1.6-7
- Evangelie: Mattheus 15, 21-28
Zusters en broeders,
Ik denk dat de meesten onder ons flink geschrokken zijn bij het horen van het evangelie. We maken er immers kennis met een Jezus die we helemaal niet kennen. Een Jezus die gewoon bot is tegen een Kananeese vrouw, en die ook ingaat tegen zijn eigen Blijde Boodschap van liefde en vrede voor alle volkeren. Een boodschap die nochtans zo oud is als de straat, en die al opklinkt in de oeroude eerste lezing. ‘Mijn huis zal worden genoemd een huis van gebed voor alle volkeren’, zegt God via de profeet Jesaja. Maar daar lijkt Jezus dus echt niet aan te denken. ‘Ik ben alleen maar naar de verloren schapen van het huis van Israël gezonden’, zegt Hij tegen de vrouw die Hem om hulp vraagt voor haar dochter die door de duivel is bezeten. En wanneer de vrouw zich voor zijn voeten neerwerpt, en Hem echt om hulp smeekt, maakt Jezus het nog veel erger dan het al was. ‘Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven’, wijst Hij haar brutaal af. ‘Eigen volk eerst’, lijkt wel zijn lijfspreuk. En zo leren we Hem kennen als een fanatieke Israëliet, voor wie niet-Joden niet meer zijn dan honden. Dat doet sterk denken aan het Israël van vandaag, dat niets meer is dan een vreselijk moordvolk. Ik zei het al: de Jezus die we vandaag leren kennen is echt schrikken.
Maar merkwaardig genoeg is het evangelie toch troostend en sterkend. Immers, Jezus, de mens geworden Zoon van God, en de verkondiger van de Blijde Boodschap van liefde en vrede, is niet volmaakt. Integendeel, Hij maakt fouten. En dat kan ons troost en sterkte geven. Want als Jezus zijn eigen Blijde Boodschap van liefde en vrede voor alle volkeren niet altijd kan uitvoeren, hoe zouden wij dat dan kunnen. Als we het evangelie toepassen op onszelf, hoe zouden wij op die vreemde vrouw reageren? We moeten onszelf geen leugens wijsmaken, dus geven we maar beter toe dat het helemaal niet zeker is dat wij haar heel lief zouden behandelen. Want we zijn Europeanen, en de werkelijkheid leert ons dat de meeste Europeanen het heel moeilijk hebben met vreemdelingen en immigranten, zeker als die uit een moslimland komen. ‘Eigen volk eerst’, leeft immers heel sterk in Europa.
Dus kunnen we ons, zoals altijd, toch maar best aan Jezus spiegelen, want Hij heeft de moed zijn fout in te zien en ook toe te geven. ‘Vrouw, gij hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd’, zegt Hij. En zo toont Hij toch respect voor die vrouw van een ander volk, en voelt Hij met haar mee, net zoals Hij met zijn eigen volk kan meevoelen. Dus moeten we ons afvragen: Als we een fout maken, geven we dat dan toe? Of bijten we ons vast in ons eigen groot gelijk? Het is dus goed dat we ons aan Jezus spiegelen, want die geeft zijn fout tenminste toe en corrigeert zichzelf.
Maar we moeten ons niet alleen aan Jezus spiegelen, maar ook aan die vrouw. Zij geeft immers niet op. Ze geeft het niet op om een bezorgde moeder te zijn voor haar bezeten dochter, en ze geeft het niet op om hulp af te smeken van een heel onvriendelijke vreemde man. Zijn wij een even bezorgde moeder of vader voor ons zoon of dochter die de verkeerde weg opgaat? Die verslaafd is aan drank en drugs. Die niets meer doet dan naar TikTok kijken? En blijven wij hulp zoeken, of geven we het op als we met problemen geconfronteerd worden?
Zusters en broeders, dit evangelie houdt ons een paar sterke lessen voor. Vooreerst, we mogen inzien en aanvaarden dat we niet perfect zijn in het naleven van de Blijde Boodschap van liefde en vrede voor alle mensen. Maar het mag daar niet bij blijven. We moeten kunnen toegeven dat we fouten maken, en ons inspannen om die fouten goed te maken. En als ons dat niet onmiddellijk lukt, mogen we de moed niet opgeven. Want streven naar het goede mogen we nooit opgeven. Doen we dat wel, dan geven we de weg op van liefde en vrede voor alle mensen, en dat kan niet de bedoeling zijn. We streven er immers naar om goede christenen te zijn. Amen.
