- Eerste lezing: Spreuken 31, 10-13.19-20.30-31
- Evangelie: Mattheus 25, 14-30
Zusters en broeders,
‘Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?’, klinkt het in een eerste lezing, en er volgt een echte lofzang op zo een sterke vrouw. In de tweede lezing moet Paulus niet onderdoen voor die merkwaardige woorden. ‘De dag van de Heer komt als een dief in de nacht,’ zegt hij. De dag die hij daarmee bedoelt is de dag waarop Jezus terugkomt om te oordelen, en ook de dag waarop God zijn macht toont over het kwaad. Wanneer dat zal zijn, weet niemand, dus moeten we altijd voorbereid zijn. Wellicht houdt ons dat bezig, en stellen wij ons de vraag: wat heb ik tot nu toe in mijn leven terechtgebracht? Ben ik een goed mens, niet alleen voor mijn familie, maar ook voor mijn naasten? Probeer ik Jezus te volgen op zijn weg van liefde en vrede? Kan ik tegen pijn en verdriet, of moet alles altijd positief en zonder zorgen verlopen?
Het zijn vragen die wellicht meer oprijzen naarmate we ouder worden, omdat we dan meer dan vroeger geconfronteerd worden met de vraag wanneer de dag van de Heer komt. Paulus reageert daar heel positief op. ‘Broeders en zusters’, zegt hij, ‘gij leeft niet in de duisternis, zodat de dag u niet als een dief zal verrassen. Gij zijt allen kinderen van het licht.’ En dat zijn we als we ons door God, door Jezus laten leiden. Dan komt de dag van de Heer niet als een dief in de nacht.
Is dat ook zo voor de drie dienaars in het evangelie? Hun heer vertrekt naar het buitenland, en vertrouwt hun zijn hele bezit toe. Naargelang van hun bekwaamheid krijgen ze vijf, twee of één talent. Wanneer hun heer lange tijd later terugkomt, moeten ze laten zien wat ze ervan terechtgebracht hebben. Ze hebben die talenten immers niet zomaar gekregen, nee, die talenten moeten winst opbrengen. En we zien dat de heer streng oordeelt. De dienaars die goed gewerkt hebben, mogen genieten van de vreugde van de heer, maar de dienaar die niets aangevangen heeft met zijn één talent, wordt het afgenomen, en hij wordt verbannen in de duisternis, waar geween is en tandengeknars.
We hebben die woorden al meer dan eens gehoord, en misschien denken we daarbij: dat is de hel na de dood, maar dat is niet zo. Nee, die duisternis is de hel die de wereld wordt op die plaatsen en in die landen waar het Koninkrijk van God geen schijn van kans heeft. Waar geen streven is naar het zijn rijk van liefde, vrede en gerechtigheid. Waar zijn Koninkrijk bestreden wordt door machthebbers die haat en oorlog zaaien, en zelfs geen respect hebben voor hun medemensen, laat staan dat ze liefde, vrede en gerechtigheid zouden uitzaaien.
Zoals altijd moeten wij ons afvragen waar wij staan in het verhaal. Ook wij hebben talenten gekregen van God onze Heer, een ook van ons verwacht Hij dat we daar iets mee aanvangen. Aan de derde dienaar moeten we ons dus niet spiegelen, maar ik ben er zeker van dat we dat ook niet doen, maar dat we ons inzetten om wakker en nuchter zijn, zoals Paulus in de eerste lezing zegt. Wakker en nuchter omdat we iets proberen te doen met ons leven. Omdat we onszelf en onze medemensen niet ontmoedigen, maar bemoedigen. Omdat we willen bijdragen aan Gods Koninkrijk van liefde, vrede en gerechtigheid. Omdat we beseffen hoe heerlijk het is te leven in zo een Koninkrijk.
Zusters en broeders, al in de eerste lezing wordt ons daartoe de weg aangewezen, want die vrouw is ook sterk omdat ‘zij haar hand opent voor de behoeftigen, en haar armen uitstrekt naar de misdeelden.’ Zij werkt dus direct mee aan de Koninkrijk van God. In de twee lezing zet Paulus ons aan altijd te waken en nuchter te zijn, want alleen dan zijn we kinderen van het licht, en kunnen we ons inzetten voor Gods Koninkrijk. En in het evangelie zegt Jezus: ‘Aan ieder die heeft, zal gegeven worden, zelfs in overvloed. Maar wie niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft.’ Met andere woorden: wie meewerkt aan Gods Koninkrijk zal in overvloed een heerlijk eeuwig leven ontvangen. Maar wie niet meewerkt aan Gods Rijk, zal terechtkomen in eeuwige duisternis. Wellicht wijst de dag van vandaag ons een goede richting aan, want het is Werelddag van de armen. Vertrekkend vanuit de woorden ‘De Heer is een toevlucht voor de arme’ nodigt paus Leo de Kerk uit opnieuw stil te staan bij de plaats van de armen in het christelijk leven. En hij roept gelovigen op om niet alleen hun toevlucht te zoeken bij God, maar om ook zelf een toevlucht te worden voor mensen in nood. Laten we dat dus doen: er zijn voor mensen in nood, want dan zullen we van God onze Heer in overvloed ontvangen. Amen.
