- Eerste lezing: Handelingen 2, 42-47
- Evangelie: Johannes 20, 19-31
Zusters en broeders,
Misschien klinkt het ongeloofwaardig, maar het evangelie is heel herkenbaar in ons leven. Uit vrees voor de Joden hebben de apostelen zich opgesloten in hun verblijfplaats. Misschien is dat de zaal van het Laatste Avondmaal, maar dat is niet belangrijk. Wel belangrijk is dat ze zich hebben afgescheiden van de maatschappij omdat ze met zichzelf in de knoop zitten, want wat hebben ze Jezus en zichzelf aangedaan! En daar zitten ze nu, vol onzekerheid en bang voor iedereen.
En dat is inderdaad heel herkenbaar, want ook wij sluiten ons dikwijls af van de buitenwereld, vaak omdat we niet weten wat we moeten doen, hoe we moeten reageren op bepaalde uitdagingen, hoe we onzekerheden moeten verwerken, zelfs hoe we liefde moeten uitdragen. Is dat alleen naar onze geliefden of naar al onze naasten, ook als dat vreemdelingen zijn, of straatslapers en andere sukkelaars? Maar dat zijn vragen die geen vragen zouden mogen zijn, want wij zijn christenen, en dat wil zeggen dat we, net als Jezus, in alle omstandigheden liefde moeten uitdragen, dus ook naar vreemdelingen, naar zieken, naar armen, naar radelozen.
Ervaring leert ons dat dit niet altijd vanzelfsprekend is, hoewel Jezus ons altijd opnieuw begroet met ‘Vrede zij u.’ We hebben immers niet alleen de onzekerheid van de apostelen, maar ook de twijfel van Thomas. ‘Didymus’ is zijn bijnaam, en dat betekent ‘tweeling.’ Dat is wellicht niet toevallig, want hij kan gelden als de tweelingbroer van ons allemaal. Hij gelooft immers niet zomaar in Jezus’ verrijzenis, hij zal dat alleen geloven als hij zijn vingers in Jezus’ doorboorde handen kan steken en zijn hand in zijn doorboorde zijde kan leggen. Want hij wil zichtbare zekerheid. Hij wil alleen een geloof dat op zijn eigen zekerheid kan steunen. En dat is heel herkenbaar, want ook wij willen meestal alleen maar bouwen op zekerheden. Op zekerheden in ons gezin, op ons werk, in de Kerk, op vakantie, op alles. Is die zekerheid er niet, dan zijn we vaak de kluts kwijt – om het met een oud spreekwoord te zeggen.
Dus is het goed dat we ons spiegelen aan de zogezegd ongelovige Thomas. Hij is immers helemaal niet ongelovig, integendeel, hij is heel diepgelovig. Hij is de eerste die Jezus ‘mijn Heer en mijn God’ noemt, en dieper geloof kunnen we ons zelfs niet voorstellen. Jezus die onze Heer, die onze God is. En die Heer die God is wenst ons niet alleen vrede toe, maar wijst ons ook de weg van liefde aan die sterk genoeg is om fouten te vergeven. Alleen dan is er plaats voor vrede. Die is er niet als we niet kunnen vergeven, want dan is er alleen plaats voor onvrede.
Zusters en broeders, in de eerste lezing hoorden we een prachtig verhaal over het leven van de eerste christenen. Het komt uit de Handelingen van de apostelen, geschreven door de evangelist Lucas. Wat we hoorden is zo mooi dat het bijna zeker geïdealiseerd is. ‘Allen die het geloof hadden aangenomen waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk’, want ze hadden al hun bezittingen verkocht en verdeelden de opbrengsten daarvan onder elkaar. Ik zei het al: het is wellicht te mooi om waar te zijn, maar het geeft wel een mooi beeld van hoe de wereld er zou uitzien als alle mensen in Jezus zouden geloven. Dan zouden allen ‘leven bezitten in zijn Naam’, en dat is een leven dat opgebouwd is met zijn woorden en daden van liefde, vrede en gerechtigheid. Een beter, een mooier, een idealer leven kunnen we ons zelfs niet voorstellen. Ik wens het ons dus allen toe. Amen.
