Jaar 2025-2026 - Cyclus A
  • Eerste lezingHandelingen 2, 14a.36-41
  • EvangelieJohannes 10, 1-10

Zusters en broeders,

Vandaag is het roepingenzondag. ’Bouw mijn Kerk op’, is de oproep van Jezus. Hij vraagt dat niet alleen aan priesters en andere religieuzen, maar aan al zijn volgelingen, dus ook aan ons. Wij worden dus geroepen om geen arm schaap te zijn, maar om op onze beurt herder te worden, om de stal in en uit te gaan en anderen te dienen, te helpen, te aanvaarden. Misschien wordt ons dat meer gevraagd dan vroeger, want we leven in een moeilijke tijd van oorlogen, migratie, vluchtelingen, eenzame mensen, klimaatopwarming, milieuvervuiling. Dingen die we allemaal moeten verwerken, en die misbruikt worden in polarisatie, leugens, corruptie, en fake news aan de lopende band.

In zo een stal leven wij vandaag, maar we hebben hoop, want Jezus zegt: ‘Ik ben de deur van de schapen. Als iemand door Mij binnengaat zal hij gered worden.’ En gered worden we als we luisteren naar zijn stem. Alleen dan geraken we uit de gesloten ruimte van eenzaamheid, moedeloosheid, egoïsme.  Als een goede herder trekt Jezus dan voor ons uit, en we volgen Hem omdat we zijn stem kennen, en omdat we weten dat Hij ons brengt  naar leven in overvloed. Leven vol liefde, vrede, gerechtigheid, vreugde. Alleen als we Hem volgen, alleen als we luisteren naar zijn stem, hebben we toegang tot dat leven in overvloed.

Een toegang die we vaak nodig hebben, want het leven kan ons voeren langs kronkelpaden van onzekerheid en tegenslag, en donkere kloven van pijn, lijden en immens verdriet. Maar Jezus is onze herder in alle omstandigheden. Hij geeft ons altijd zijn liefde, houvast, troost. Hij wijst ons de weg naar liefde en vrede. Hij heeft al onze miserie op zich genomen bij zijn lijden en dood, maar Hij is verrezen en blijft altijd bij ons. En Hij roept ons op om zelf herders te zijn. Geen rovers, dieven of moordenaars, maar herders die gelukkig zijn om de vreugde van Jezus’ verrijzenis, die ook onze verrijzenis inhoudt.

Maar we moeten er voor oppassen dat we ons geloof niet zien als een privéaangelegenheid die niets anders inhoudt dan ’s zondags naar de mis gaan, een kaarsje branden en nu en dan een gebedje prevelen. Jezus heeft ons immers maar één weg aangewezen: de weg van ‘Houd bovenal van God, en houd evenzeer van je naaste als van jezelf.’ En Hij leerde ons niet bidden: ‘Mijn Vader die in de hemel zijt’, maar ‘Onze Vader die in de hemel zijt.’ Die weg moeten we gaan. Niet in onszelf blijven zitten, maar zelfbewust door het leven gaan als gelovige mensen, als volgelingen van Jezus. Daarbij kunnen we ons spiegelen aan de apostelen. Dat waren gewone mensen zoals wij, maar ze trokken de straat op en getuigden van Jezus. Dat hoorden we in de eerste lezing. Ze deden dat met zoveel overtuiging dat er zich op die eerste dag al drieduizend mensen lieten dopen en zich aansloten bij de christelijke gemeenschap.

Zusters en broeders, misschien denken we dat het allemaal niet veel zin meer heeft. Kerken, kloosters en kapellen worden immers gesloten, en als we om ons heen kijken zien we zo goed als alleen maar oude mensen in de kerk. Maar we zijn fout als we daardoor negatief ingesteld zijn. Godsdienst en geloof zijn niet minder belangrijk dan vroeger. Ze spreken alleen veel minder mensen aan, maar ze blijven mensen verenigen om Gods weg van liefde, vrede en vreugde te gaan. Laten we dus proberen goede herders te zijn, want je weet: woorden wekken, maar daden trekken. Amen.

Download dit document

Intekenen voor de wekelijkse overwegingen

captcha