- Eerste lezing: Handelingen 1, 12-14
- Evangelie: Johannes 17, 1-11a
Zusters en broeders,
We bevinden ons vandaag tussen Hemelvaart en Pinksteren. Jezus is niet langer zichtbaar aanwezig, en de Geest is nog niet in volle kracht nedergedaald. Het is een tijd van wachten. Dat hoorden we in de eerste lezing. Maar het is geen leeg wachten, het is een wachten in gebed. ‘Ze bleven allen eensgezind volharden in gebed,’ hoorden we. En dat geldt niet alleen voor de apostelen, maar voor alle aanwezigen in de bovenzaal van het Laatste Avondmaal.
Ook in het evangelie staat bidden centraal. Hier gaat het niet om een gezamenlijk gebed, maar om een gebed van Jezus tijdens het Laatste Avondmaal, dus de avond voor zijn lijden en dood. Hoewel Hij weet wat Hem te wachten staat, bidt Hij niet voor zichzelf, maar voor zijn leerlingen. Hij bidt dat zij één mogen zijn, dat zij bewaard blijven, dat zij de waarheid mogen kennen. Het is een intiem moment: Jezus opent zijn hart voor zijn Vader in de hemel, en tegelijk vertrouwt Hij zijn leerlingen toe aan diezelfde Vader.
En zo wijst Jezus ons de weg aan van het gebed. We moeten niet alleen bidden voor onszelf en voor ons eigen heil, maar ook voor het heil onze medemensen en van de wereld. We zien dat Jezus in zijn gebed geen eisen stelt aan zijn Vader, maar dat Hij tot Hem spreekt als tot een liefdevolle Vader. Geen tovenaar die op aanvraag mirakels verricht, en geen geprogrammeerde robot, maar een God van liefde, tot Wie wij in vertrouwen mogen bidden, ook wanneer wij leven in pijn en verdriet, in wanhoop en in machteloosheid.
Maar iets heel belangrijks mogen we zeker niet vergeten. Wat dat is, horen we in ‘Eer aan God in den hoge’. Daar bidden we: ‘Wij loven U. Wij prijzen en aanbidden U. Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid.’ Ons gebed moet dus meer zijn dan bidden voor ons eigen heil en dat van de wereld. Het moet in de eerste plaats een lofzang zijn van Gods heerlijkheid en een dankgebed aan God die als een liefdevolle Vader en Moeder zorg draagt over ons. Die altijd luistert naar onze beden, ons troost in moeilijke dagen en ons een toekomst bezorgt. Die ons leert wat liefde is, want Hij is liefde.
Zo zien we dat bidden geen techniek is, geen verplicht nummer, geen lijstje dat we moeten afvinken. Het is spreken met God zoals we spreken met iemand die ons lief is. Soms met woorden, soms in stilte. Soms vol vertrouwen, soms zoekend en aarzelend. Maar altijd in geloof. ‘Vader, U behoren ze toe’, bidt Jezus in het evangelie. We zijn dus niet alleen. God laat ons niet in de steek. Dus leggen we vol vertrouwen ons leven in zijn handen. Dat betekent niet dat we van alle moeilijkheden gespaard zullen blijven. Bidden verandert niets aan moeilijke omstandigheden, maar het geeft wel kracht, richting en vertrouwen, omdat we ons gedragen weten.
En verder: bidden is ook verbinden. Dat ondervinden we nu wanneer we samen in deze viering bidden. Zo voelen we ons verbonden met elkaar. Zelfs wanneer we alleen bidden, zijn we verbonden met anderen. In een tijd zoals de onze, waarin zoveel mensen zich alleen voelen, is dat geen kleine zaak. Bidden opent ons hart, niet alleen naar God, maar ook naar onze medemensen. Het maakt ons gevoeliger voor wat er leeft bij anderen. Het kan ons zelfs aanzetten tot concrete daden van liefde.
Zusters en broeders, bidden wij vaak, ook buiten deze viviering? Bidden wij echt? Maakt bidden iets uit? Zij die teleurgesteld zijn zeggen: ‘Nee, bidden haalt niets uit! Het is zinloos!’ Mensen die wel vaak bidden, zeggen: ‘Zonder bidden stond ik nergens, want als ik in nood ben, leg ik dat voor aan de Heer, en dan ga ik dingen anders bekijken en anders ervaren.’ Laten we dus bidden om God te eren en te danken. Maar ook om kracht op te doen. Om te aanvaarden. Om te beseffen dat God, dat Jezus ons niet in de steek laat. Amen.
