- Eerste lezing: Ezechiël 37, 12-14
- Evangelie: Johannes 11, 1-45
Zusters en broeders,
In het evangelie hoorden we een van de meest indrukwekkende verhalen die erin voorkomen: Jezus roept Lazarus uit het graf. Het begint met verdriet. Lazarus is gestorven. Zijn zussen, Marta en Maria, zijn ontroostbaar. Wanneer Jezus aankomt, zeggen ze: “Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Het zijn woorden die we heel goed kennen, want ook wij beleven momenten waarop we denken: Heer, waar waart Gij? Waarom hebt Gij mij niet gespaard van die ellende?
Het evangelie verbergt dat menselijke gevoel niet, maar het maakt ook duidelijk dat God niet op een afstand blijft van ons verdriet, integendeel, Hij staat er middenin. Dat komt direct tot uiting in de reactie van Jezus: wanneer Hij het verdriet van de zussen en de andere mensen ziet, is Hij zo aangegrepen dat Hij zelf begint te wenen.
Maar tegelijk spreekt Hij de kern van ons geloof uit: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.’ Het zijn woorden die ons raken in het diepste van ons bestaan. Want we kennen allemaal situaties dat we bij manier gestorven zijn. Situaties waarin hoop verdwenen lijkt: een relatie die stukloopt, een ziekte die ons machteloos maakt, een schuldgevoel dat ons denken en ons geweten belast, een gevoel van leegte en zinloosheid door de oorlogen van machthebbers die de democratie uitroeien, de wereld verlammen en volkeren uitmoorden. En zo kunnen we blijven opsommen, want er zijn ontelbaar veel situaties waarin we, net als Lazarus, opgesloten zitten achter een zware steen van moedeloosheid en ellende, en we het gevoel hebben dat God ons in de steek laat.
In het evangelie zien we dat dit niet zo is: Jezus gaat precies naar de plaats van pijn en verdriet, en dat is het graf. En Hij roept met luide stem: “Lazarus, kom naar buiten!” Dat doet Lazarus, maar hij is nog in grafdoeken gewikkeld. “Maak hem los en laat hem gaan,” zegt Jezus tegen de omstanders. En dat is een aanwijzing dat Jezus ook ons tot leven roept, en ons aanspoort om elkaar te helpen om vrij te worden: vrij van angst, vrij van schuld, vrij van egoïsme, van onverschilligheid, van wanhoop. Hij vraagt dat aan ieder van ons, en Hij roept ons bij onze naam, net zoals Hij Lazarus bij naam roept. En zo toont Hij dat God er echt is voor ieder van ons, en ons allen persoonlijk kent.
Zusters en broeders, misschien voelen we ons soms moe, teleurgesteld of verloren gelopen. Net zoals de joden in de eerste lezing. Ze zijn in ballingschap en hebben alle moed opgegeven. Maar de profeet Ezechiël spreekt hen in naam van God moed in. ‘Ik zal uw graven openen en u in massa’s wegvoeren uit uw graven’, zegt hij. Dat zegt. Jezus ook tegen ons: ‘Neem die steen weg.’ De steen van ellende en tegenslag. De steen van ongeluk. De steen van moedeloosheid en radeloosheid. De steen van de dood van een geliefde. Het evangelie laat ons zien dat het laatste woord niet toekomt aan de dood, niet aan wanhoop, niet aan het donker. Het laatste woord is aan God, en dat woord is: leven. ‘Ik ben de verrijzenis en het leven’, zegt Jezus uitdrukkelijk. Laten we in deze laatste weken voor Pasen bidden dat we zijn stem horen. Dat we de moed hebben om ons los te maken van alles wat ons gevangen houdt. En dat we ook mensen worden die helpen om de grafdoeken van onze medemensen los te maken. Want Jezus zegt nog steeds: ‘Neem die steen weg. Kom naar buiten. Leef.’ Amen.
